Herwonnen paradijs

Door Aart Mak

Wie verliefd is, ziet de wereld anders, die ene wordt de mooiste van allemaal, de dagelijkse zorgen verdwijnen naar de achtergrond en je wilt elk uur van de dag nergens anders zijn dan bij het voorwerp van je aanbidding. Maar wat gebeurt er? ‘Houd me niet vast,’ zegt de man van haar leven tegen de vrouw met de naam Maria, afkomstig uit het dorpje Magdala. Zij, een minuut daarvoor nog gek van verdriet, doet wat elke verliefde vrouw of man doet: aanraken, strelen, kussen, de ander koesteren. Maar haar liefde die paleizen wil bouwen waar de twee geliefden eeuwig samen kunnen zijn, moet afstand houden. En ze moet het doen met die merkwaardige woorden die gaan over opklimmen of opstijgen, wat maakt het uit, om bij de vader te zijn, alsof een man niet zijn vader en moeder moet verlaten om één te worden met zijn geliefde, zoals het oude woord wederhelft zo mooi aanduidt. Maar de man van haar dromen zegt dat hij weg zal gaan, net hervonden en gelijk weer weg, als een vogel gevlogen. Op zijn beroemde schilderij over deze scene tooit Rembrandt van Rijn Jezus met een grote strooien hoed. In zijn hand een schop en onder zijn gordel een snoeimes. Als een tuinman die zijn hoofd beschermt tegen de felle zon met dat breedgerande hoofddekstel. De vrouw denkt dat ook aanvankelijk: het is de tuinman! Zij ziet op dat moment nog niet dat het haar geliefde zelf is. Hoe zou ze ook in deze zwierige hovenier haar wreed aan zijn einde gekomen wederhelft kunnen herkennen? Maar vergist zij zich als zij in Christus de tuinman ziet? Staat daar niet iemand die de grond heeft omgewoeld, de doornen en distels gesnoeid en de aarde die hij bewerkt eraan herinnerd heeft dat de zelfde aarde ook een paradijs kan bevatten? Echte liefde herinnert altijd aan hoe het was en aan hoe het kan worden, de mystieke eenheid, de grote verandering van de mens die zich overal van voelt gescheiden tot de mens die terugkeert bij diegene die hem heel maakt. En dan verschiet de omgeving van kleur, zoals in dat lied dat ik altijd laat zingen in een huwelijksviering op de melodie van Auld Lang Syne: Waar liefde mensen samenvoegt / Worden kamers een paleis / De kille straat een lentetuin / De hel een paradijs. / Een land van licht en zonneschijn / Een haard waar men zich warmt / Een overvolle beker wijn / Een mens die je omarmt.

De vraag is natuurlijk of de taal van de liefde afdoende is om te beschrijven wat wij op Pasen vieren. Het is maar wat je onder liefde verstaat. Als liefde een godsgeschenk is, dan moet de ervaring van liefde met god te maken hebben. En zoals de liefde kan omslaan in hartgrondige haat, zo kan het geloof in God een verbijsterende satanische uitwerking hebben. Het meest kostbare dat we kennen, doet ook het meeste pijn. Pasen behoort niet bij onze wereld, niet zozeer omdat wij niet in wonderen geloven – dan doen we wel, we hopen er namelijk regelmatig op – maar Pasen hoort niet bij onze wereld omdat wij te negatief zijn, te zwaar, te somber. We laten ons eerder raken door de jobstijdingen die in het dagelijks nieuws worden meegevoerd dan door de geluksgevoelens die ook bij het leven horen. Maar de laatste zijn te vlinderachtig, te vluchtig, als was het een toeval dat we even mogen genieten. Als het weer voorbij is, doet het zo’n zeer. En daarom sluiten we ons ongemerkt liever af voor wat ons optilt en doet zingen als een leeuwerik. De grijze luchten zijn ons liever, er moet gewerkt worden, aanpakken, er iets van maken. De lichtvoetigheid, het laat-maar-waaien en de zorgeloosheid bewaren we voor een zomerse dag aan het strand of in de Franse Dordogne – en dan nog kunnen we nauwelijks geloven dat deze zonnigheid ook echt bestaat. En daarom past Pasen net zo min bij dit menselijke bedrijf als de ware liefde past bij al die mensen die zeggen dat verliefdheid weer overgaat. En ze hebben nog gelijk ook. Net zoals al die mensen die zeggen dat dood dood is, zonder enige twijfel het ernstige gelijk aan hun zijde hebben.

Maar Pasen getuigt van een andere wereld die schuil gaat in de wereld die wij denken te kennen. Het is net als met God. God is er, overal, maar normaal gesproken krijg je geen idee dat de dingen hun goddelijke geheim hebben. Pas als je – en dan is Pasen ook – verliezen leidt, je eigenhandig gebouwde kasteel ziet afbrokkelen tot een ruïne, mensen van wie je zielsveel houdt kwijtraakt en eindelijk begrijpt dat niets hier blijvend is, loop je kans – volgens de ongelovigen zelfs gevaar – af te dalen naar een dimensie waar het licht schijnt zonder de zon nodig te hebben, mensen aan hun tweede jeugd begonnen zijn, dieren kunnen spreken en je in de wind de wijze stem van god kunt horen fluisteren. Als was je in het paradijs dus. Maar je bent niet verhuisd, je bent niet in een andere wereld terecht gekomen. Je bent nog steeds daar waar je geboren bent. Alleen zie je jezelf, je medemensen, de dingen, alles, met andere ogen. En dat er daar iemand rondwandelt, getooid met een grote strooien hoed en spreekt over de bron van alle leven die hij de Vader noemt, ja, dat zul je net zien, dat moet jou dan ook overkomen. Dacht je dat je er was, de liefde hervonden, eindelijk thuis, blijk je nog maar net onderweg te zijn, op je reis naar het paradijs dat nooit echt verloren is geraakt.

 

 

 

 

 

Terug naar overzicht…